Excerpt for Ik besta... by , available in its entirety at Smashwords

Ik besta…


door


Luc Vos


Reviews Harland Awards


Abe van der Veen

“Een aardige vondst de samenspraak met de nogal negatieve stem in zijn hoofd.”


Kevin Valgaeren

“Boeiende insteek. Er is humor, er is gruwel, maar er is ook dat vreemde feit dat alle dode en levende vrouwen worden beschreven met lustvolle termen. Mooi gevonden.

Goed uitgewerkt, …, maar de verteller houdt het desalniettemin lekker fris.”


Lisa Kuijvenhoven

“Spannend begin!

Bizar en origineel einde.

De dialogen zijn doeltreffend voor het verhaal.”



Geschreven en uitgegeven door Luc Vos


Ik besta…’


Copyright © 2018 Luc Vos


e-Mail : luc@lucvos.be


web: www.lucvos.be


Meer boeken van Luc Vos:

Alleen… in het Westen

Weten is…

Wraaktekens

Gevallen Maan, Millésime Sardine 3

Dappere Kleine Maan, Millésime Sardine 2

Millésime Sardine

Schaduwzijde

Schaduw van mijn Schaduw

Spiegelbeeld

Kom niet binnen

De klank van rood

Infinity Alley

Coma

Cosmic Love

Off the Grid…

Klasse

De eenzame weg naar de hel

Bij volle maan

Like my update, bitch!

De bezoekers

….

All rights reserved. Without limiting the rights under copyright reserved above, no part of this publication may be reproduced, stored in or introduced into a retrieval system, or transmitted, in any form, or by any means (electronic, mechanical, photocopying, recording, or otherwise) without the prior written permission of both the copyright owner and the above publisher of this book.

This is a work of fiction. Names, characters, places, brands, media, and incidents are either the product of the author's imagination or are used fictitiously. The author acknowledges the trademarked status and trademark owners of various products referenced in this work of fiction, which have been used without permission. The publication/use of these trademarks is not authorized, associated with, or sponsored by the trademark owners.

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/ of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopie, opnamen of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


*****

‘Ik besta’ is een volledig verzonnen verhaal, ontsproten aan mijn geest. Elke gelijkenis met bestaande plaatsen, gebeurtenissen, met levende of overleden personen berust op loutere toevalligheden.


Ik besta.’

‘Denk je.’

Ik schrik van de stem in mijn hoofd.

‘Wat?’ grom ik.

‘Ik ben het, je weet wel, jij.’

Ik haal mijn schouders op en herhaal mijn zin.

‘Ik besta.’

‘Dat denk je,’ herhaalt ook de stem.

‘Dus besta ik,’ argumenteer ik, tegen beter weten in.

‘Niet.’

‘Wel, ik denk, dus ik besta.’

Even blijft het stil.

‘Ik besta!’ roep ik nu wat luider in mijn hoofd, want niemand mag mij horen, ZIJ mogen mij niet horen.

Maar besta ik dan wel, als niemand mij hoort? Heeft de stem gelijk? Ik moet mijn stem gebruiken! Iemand moet mij horen!

‘Neen, dat mag niet, dat kan niet,’ klinkt nu kordaat.

De stem in mijn hoofd klinkt tegelijk bekend en toch bijzonder vreemd. Verwarring werkt zich een weg naar boven in mijn geest. Ik moet vluchten, weg van dit vreemde bestaan.

‘Welk bestaan?’

Angstzweet vervoegt het oude, stinkende zweet dat al dagen aan mijn vuile huid plakt. Ik voel de grond onder mijn voeten wegzakken en grijp me ijlings vast aan een oude roestige staaf die kronkelend uit een omgevallen betonnen constructie naar buiten steekt. Ik voel hoe het oude, scherpe metaal mijn hand openhaalt en slaak een luide kreet van pijn. Ik hoor mezelf roepen, dus ik besta, denk ik.

‘Ben je zeker?’ hoor ik die vreemde en toch bekende stem op lijzige toon opnieuw in mijn hoofd vragen.

‘Hou op, ik besta echt!’

‘Omdat je kan roepen? Is dat de nieuwe definitie van bestaan? Ik dacht dat bestaan verbonden was met denken?’

Ik antwoord niet meer op de vreemde stem in mijn hoofd, ik moet me concentreren op mijn vlucht, want ik moet hier weg, zoveel is zeker. Angstig kijk ik om me heen, veeg het bloed van mijn hand af aan mijn broek die er al een tijdje niet meer als een broek uitziet. De vale blauwe stof van wat ooit een lichtblauwe, modieuze jeans was, is nu donker en vuil, vol met korsten en helemaal gerafeld. In tijden die ik mij nog maar met veel moeite kan herinneren, was een broek vol gaten mode, maar nu lijkt dat allemaal zo nietszeggend, zo zinloos, sinds…

Ik huiver en probeer de gruwelijke herinnering te verdringen, maar dat lukt slechts gedeeltelijk. De verandering die op die donkere dag in oktober over mijn leven gekomen is, is zo groot dat ik het nog altijd niet kan bevatten. En niet enkel over mijn leven, over het leven van… wel, van iedereen. Met dit verschil… ik wankel en moet me opnieuw vastgrijpen. Weer wordt mijn hand ruw opengehaald door een stuk puin, maar deze keer is het gewoon beton dat zo ruw is dat het de al bijzonder eeltige huid van mijn hand gewoon weg schraapt alsof het een nieuwe oogst aardappelen is waarvan de schil er bijna automatisch afkomt.

Een aardappel, opnieuw één van een bijzonder grimmige herinnering vergezelde déjà vue en een pijnlijke kramp in mijn maag. Hoelang is het geleden dat ik nog een aardappel gezien, laat staan gegeten heb? Correctie, hoelang is het geleden dat ik nog iets gegeten heb? Ik weet het niet.

Maar, feit is, ik heb nog gegeten, al die anderen… niet meer, want zij zijn er gewoon niet meer. Niemand is er nog, denk ik. In elk geval, sinds die dag heb ik niemand meer gezien, niemand meer die nog in staat was om iets te zeggen of te doen. Lijken daarentegen waren er in grote aantallen. Over en door elkaar gevallen en gesmeten. Half… verslonden? Ja, half verslonden door…

Ik sluit mijn ogen en probeer het beeld dat zich nu met brute kracht in mijn geest ontvouwt te verdringen, maar het is zo intens dat dit niet lukt. De immense kracht en zelfs op een bijzondere manier indrukwekkende – vrouwelijke? – schoonheid van deze bezoekers heeft zo’n indruk gemaakt dat zij door niets opzij te duwen is.

Vrouwelijk? Ik giechel, ja, die vreemde verschijning had zonder twijfel iets vrouwelijks over haar, hem, het. Ik weet niet wat het was, het was niets dat iemand op deze aarde al ooit gezien had, maar toch had het iets… iets zachtaardigs, iets in de ogen dat het vrouwelijk maakte. Iets zacht, iets lieflijks, en tegelijk was het zo vreselijk dat het alles en iedereen in een onvoorstelbare korte tijd vermoord heeft. Het dringt nog altijd niet goed tot mij door wat er gebeurd is, hoe het is kunnen gebeuren en hoe het mogelijk is dat alle wapens waar wij mensen zovele jaren zoveel geld in gestoken hebben, niet in staat waren om dit ogenschijnlijk klein en kwetsbaar wezen te vernietigen.

Natuurlijk was ook het feit dat ze met veel waren, een niet te onderschatten element. Neen, zeg maar een allesoverheersend feit, want veel is nog een understatement. Eerst was er niets, dan was er een donkere wolk en dan waren er miljoenen, misschien zelfs een miljard van deze van groene ogen en vlijmscherpe gif klauwen voorziene wezens die zich met een snelheid voortbewogen waar menig jachtluipaard met het schaamrood op de wangen van zou afgedropen zijn.

‘No questions asked,’ ‘take no prisoners,’ ‘shoot first, then talk’, en nog menige andere filmquote zou ongetwijfeld zeer goed bij hen gepast hebben, maar het was heel eenvoudig. Ze kwamen, ze zagen en ze overwonnen. Over en uit. Gedaan. Op een paar uur tijd was de wereldbevolking eraan voor de moeite, behalve…

Ik duizel en slaag er maar net in overeind te blijven. De niet te vatten gedachte dat ik alleen op de wereld ben, slaat me opnieuw zonder enige vorm van medelijden vreselijk hard in de maag, maar dan keert mijn kalmte enigszins terug.

‘Dat is niet zeker, dat is helemaal niet zeker,’ hou ik me voor. Ik haal een paar keer diep adem en voel de steek van pijn die het beton en het stuk staal opgestart hebben weer in alle hevigheid terugkomen. Het was even weg onder invloed van die onvoorstelbare herinnering, maar nu voel ik weer dat dit niet goed is. Als ik niet sterf door deze wezens, dan zal een infectie mij ongetwijfeld wel klein krijgen. Tenzij…

‘Tenzij wat?’ hoor ik weer in mijn hoofd.

‘Tenzij je sowieso niet bestaat. Wat niet is, kan niet stoppen, wat geen begin heeft, heeft geen einde.’

‘Ik besta.’

‘Dat heb je al eens gezegd.’

‘Omdat het zo is.’

‘En waarom…’

‘Ja?’

‘Waarom besta je nog?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Je weet goed genoeg wat ik bedoel.’

Ik antwoord niet, ik weet inderdaad wat de stem bedoelt.

‘Ik weet het niet,’ fluister ik.

‘Besta je dan?’

‘Wat is dit anders? Een leven na de dood? Is het dat?’

‘Daar geloof je niet in.’

‘Ik zijn wel meer dingen waar ik niet in geloof, maar die misschien wel bestaan.’

‘Zoals?’

‘Doet dat er nu toe?’

‘Ja, ik denk het wel.’

‘Ik denk het niet.’

‘Waarom begin je er dan over?’

‘Och, shut up.’

Ik kijk angstig om me heen.

‘Zou ik zulke gesprekken met mezelf voeren als ik niet bestond?’

‘Is dat een retorische vraag?’ galmt het in mijn hoofd.

Ik voel hoe de echoënde woorden tegen de wanden van mijn schedel botsen en dan terugvliegen. De helderheid vermindert weer een stuk, maar ik blijf overeind.

Stilte, ik kijk met angstige blik naar mijn hand. Dit ziet er echt niet goed uit. Een lap vel hangt langs mijn duim omlaag te flapperen, bloed druipt op mijn schoenen.

‘Ik moet dit verzorgen,’ fluister ik, maar deze keer antwoordt er niemand.

‘Maar met wat?’

Opnieuw kijk ik om me heen, op zoek naar iets wat ik niet vind. De stad ligt in puin, de wezens die zo kort hier waren dat ze nog geen naam gekregen hebben, hebben in hun zoektocht naar vers vlees niets of niemand ontzien. Heel even leken ze klein en onschuldig, maar die inschattingsfout heeft maar heel kort geduurd. De kracht waarmee ze auto’s omverwierpen, muren uit een gebouw sloegen en mensen uit elkaar rukten was zo onvoorstelbaar dat de meeste van hun prooien verlamd waren en zonder weerstand konden verslagen worden.

Het leger en de politie had nog een verdienstelijke poging gedaan om deze slachtpartij te stoppen, maar meer dan een verdienstelijke poging was het niet. De gewone wapens waarmee de politie en militairen hen in eerste instantie te lijf gingen, leken geen invloed op hen te hebben en tegen de tijd dat de echte zware wapens in aanslag gebracht zouden kunnen worden, waren er al geen militairen meer die nog een wapen konden richten.

‘Maar waarom…’

‘Waarom wat?’

‘Dat weet je.’

Ik zwijg.

‘Zouden er nog zijn?’

‘Wat denk je?’

Ik haal mijn schouders op. Het is een vraag waarop ik het antwoord ongelooflijk graag wil weten en ook weer niet. Ik ben niet klaar voor een mogelijk scenario waarin ik alleen achterblijf.

‘Als je niet bestaat, ben je niet alleen hé,’ klinkt het in mijn hoofd.

‘Maar ik besta wel.’

‘Ja…’

De duisternis die al de hele nacht ongenadig bezit genomen heeft van deze anders al zeer donkere stad begint eindelijk licht te wijken. Een zeer zwakke straal ochtendzon wordt zichtbaar achter de piek van wat ooit een hoge woontoren was, maar nu een uitgemergeld geraamte geworden is, met gaten waar ooit ramen waren, en waar hier en daar stukken mens nog aan een brokstuk hangen te bengelen. Leeggezogen, beroofd van alles wat hen mens maakte.

‘Wat zoeken ze eigenlijk? Bloed?’

Die vraag heb ik me ook al een aantal keer gesteld, maar ik ben er nog niet uit. Als het enkel bloed is waar ze op uit zijn, waarom eten ze dan ook delen van mensen? En als het echte kannibalen zijn, waarom eten ze dan ook dieren en laten ze stukken van mensen gewoon liggen? Als ze - zoals in menige horrorfilm geopperd - op zoek zijn naar onze intelligentie en hersenen, waarom eten ze dan niet alleen die? En als ze – zoals één van de zeer kort geopperde theorieën in de sociale media suggereerde, net voor ook die aan hun einde kwamen – van een uitstervende planeet komen en op zoek zijn naar voedsel, waarom eten ze dan al dat voedsel in één keer op? Zou het dan niet logischer zijn om een voorraad aan te leggen? En nog een deel van hun jachtgebied te laten leven zodat het eten vers blijft?

Het klopt allemaal gewoon niet, maar wat is er dan wel aan de hand? Waarom doen ze dit? Gewoon omdat ze er zin in hebben? Omdat het roofdieren zijn die niet doden om te overleven, maar voor de fun? Bestaan die ergens in de wereld zoals wij die kennen? Niet in het dierenrijk, wel in sommige terroristische groeperingen, maar zelfs die roeien niet iedereen uit die tegen hen is, want dan heffen ze hun eigen bestaansredenen op.

Al is daar nu geen gevaar meer voor, want ook de IS’sen van deze wereld lijken van de aardbodem gevaagd te zijn door deze monsters. Een klein voordeel aan een bijzonder groot nadeel...

‘Waarom waarom j…’

‘Ik weet het niet, ok! Ik weet het niet. Jij wel misschien?’

De stem antwoordt niet.

‘Er zijn er nog zoals ik, daar ben ik zeker van,’ probeer ik met zwakke stem.

‘Geloof je dat zelf?’

Ik antwoord niet, en kijk met bewondering naar de zon die nu steeds sterker achter en door het vernielde torengebouw omhoogkomt. Op een andere dag, nog niet zo lang geleden, zou dit een bijzonder mooie zonsopgang geweest zijn waar ik met volle teugen van zou genoten hebben. Nu heeft het iets lugubers, nu lijkt het alsof de bloedrode zon mij komt vertellen dat vandaag ook mijn tijd gekomen is. Een mooi afscheid, tijd om andere oorden op te zoeken.

‘Neen,’ grom ik. ‘Niet vandaag.’

‘Denk je?’

Ik kijk nietszeggend om me heen. Niemand anders kijkt met mij mee naar de zon.

Hoe lang is het nu al geleden, vraag ik me plots af. Hoe lang is het geleden dat dit gebouw hier nog voorzien was van ramen en ongeschonden in deze zon stond te schitteren? Eén dag? Twee dagen? Een week? Ik huiver als ik besef dat ik het eigenlijk niet weet. Ik moet buiten westen geweest zijn, van de wereld afgesneden en beschermd tegen deze monsters, maar hoe, en waar en waarom? Knock-out door de angst? Ben ik ook aangevallen door deze wezens?

Ik kijk snel naar mijn armen en benen en stel tot mijn opluchting vast dat ik alle – weliswaar geschonden en bloedende – ledematen nog heb.

Ik moet een manier vinden om te weten hoelang ik hier al zit, en meer nog, hoelang het al geleden is dat ik nog zo’n monster gezien heb. Als dit al enkele dagen geleden is, dan bestaat de kans dat ze weg zijn en dat ik uit mijn schuilplaats kan komen, op zoek naar anderen.

‘Welke anderen?’ hoor ik de heimelijke stem in mijn hoofd, er duidelijk op uit om mij aan het twijfelen te brengen.

‘Anderen zoals ik.’

‘En wat is dat, anderen zoals jij? Kan je die definiëren?’

‘Overlevenden.’

‘Ben je zeker? Wat is dat, overlevenden? Mensen die denken dat ze bestaan, maar dat eigenlijk niet meer doen?’

‘Begin je opnieuw?’

‘Ja.’

‘Ik besta, ok? Ik bloed, ik adem, ik leef, ik voel pijn. Is dat niet het bewijs dat ik besta?’

‘The Matrix ooit gezien? Volgens Elon Musk is die echt.’

‘Zie jij Elon Musk nog ergens?’ roep ik.

Nu is het stil. Heel even grinnik ik intern, licht fier op mijn ad rem antwoord, en kijk dan weer naar buiten. De zon stijgt verder, komt nu boven het gebouw uit en lijkt iets minder bloedrood te worden. Al is ze nog altijd een heel stuk roder dan ze ooit in mijn herinnering was. Inbeelding of toeval, hou ik mezelf voor.

Ik probeer recht te staan zonder om te vallen. Mijn handen doen pijn, maar ik negeer ze, er is nu geen ruimte voor zwakte, ik moet anderen vinden, wil ik enige kans hebben om dit te overleven.

‘Als je überhaupt nog leeft.’

Ik negeer de stem, ook dat is de enige manier om te overleven. Nooit eerder heb ik last gehad van stemmen in mijn hoofd, tenminste, geen die ik zo duidelijk kon horen, maar nu alle andere geluiden op deze wereld verstomd lijken te zijn, heeft het zachte achtergrondgefluister in mijn hoofd aan kracht gewonnen en is het omgevormd tot een verstaanbare, duidelijke stem die met een onmiskenbare eigen mening en visie mij het leven zuur tracht te maken.

‘Waarom doe je dit?’ vraag ik boos.

‘Wat?’

‘Mij zo aan het twijfelen brengen.’

‘Dat doe ik niet, maar jij wil de realiteit niet onder ogen zien.’

‘Dat doe ik wel, maar jij stelt het erger voor dan het is.’

‘Kan dat dan?’

‘Ja, want er is altijd hoop.’

‘Heb je al eens om je heen gekeken?’

‘Er is altijd hoop.’

‘En er zijn bijzonder naïeve mensen.’

‘Ik wil de hoop niet verliezen, dan heeft het leven geen zin meer.’

‘Nu dan wel?’

‘Och, zwijg.’

‘Ok.’

‘Wat ok?’

‘Ik zal zwijgen.’

‘Niet doen.’

‘Waarom niet?’

‘Dan ben ik alleen.’

‘Dan ben je sowieso. Ik ben jij en jij bent mij. Wij zijn één.’

‘Dat weet ik, maar toch.’

‘Je bent zwak.’

‘Ik ben bang.’

‘Terecht.’

‘Zwijg.’

‘Ok.’

‘Neen.’

‘Wat wil je nu?’

‘Ik weet het niet.’

Stilte. Heel even lijkt het leeg te worden in mijn hoofd. De zon die nu helemaal vrij spel heeft aan de hemel, werpt haar hevige lentegloed warm op mijn hoofd en zal mijn huid ongenadig doen verbranden. Insmeren met zonnecrème staat nu echter niet op mijn checklijstje, ik heb andere prioriteiten.

‘Zoals overleven.’

‘Ik moet hier weg.’

‘Dat weet ik, maar waar ga je naartoe?’

‘Op zoek naar anderen.’

‘Daar gaan we weer.’

Ik antwoord niet, en sta recht. Voorzichtig kruip ik over een hoop puin, steunend met mijn handen op de randen van het beton, mijn gezicht vertrekkend van pijn telkens mijn opengereten handen een scherp stuk beton of uitstekend stuk ijzer raken. Mijn benen zijn verkrampt maar dat lijkt in het niets te verzinken bij de steken in mijn handen. Ik kijk zoekend om me heen en vind na enige tellen iets dat mij kan helpen. In een hoek van de ruimte gesmeten ligt het lijk van een ogenschijnlijk jonge vrouw. Haar hoofd is verdwenen, maar haar slanke lichaam lijkt nog intact. Haar ooit mooie, lange witte kleed is gedeeltelijk bedekt met bloed, maar de onderkant is verbazend ongeschonden en wit gebleven. Met lichte schaamte in mijn lijf trek ik haar kleed omhoog, zie haar naakte ranke benen zonder echter enige opwinding te voelen en scheur lange repen van haar kleed. Haar benen zijn nu helemaal zichtbaar tot aan haar slipje, maar dit anders bijzonder opwindende zicht kan me in deze omstandigheden niet verwarmen.

Op een vreemde, misselijkmakende en een bijzonder hard schuldgevoel opwekkende manier ben ik blij dat haar hoofd verdwenen is, zodat ik niet weet wiens kleed ik hier in stukken ruk en wiens lijf ik hier schaamteloos bekeken heb. Ik moet bijna kokhalzen, maar haal diep adem en draai me zo snel mogelijk om. Ik draai de repen stof als een verband rond mijn handen en knoop ze met mijn tanden dicht. De druk van het verband doet het heel even zwart voor mijn ogen worden, ik haal drie keer diep adem en stap verder, bedacht op elk mogelijk geluid, verwachtend dat één van die wezens gewoon geduldig heeft liggen wachten tot ik uit mijn schuilplaats kom om nu te doen waarvoor ze hier zijn.

‘Als ze jou wilden doden, hadden ze dat al lang gedaan,’ hoor ik in mijn hoofd en ik weet dat de stem gelijk heeft. Ik heb mensen uit beter beveiligde schuilplaatsen zien halen zonder enige moeite. De paar betonnen balken en stukken staal die ik om mij heen had, waren hoegenaamd niet voldoende om deze monsters te stoppen.

‘Wat heeft hen dan wel gestopt?’ hoor ik op tergende toon in mijn hoofd.

‘Weet jij het?’

‘Neen, jij?’

Ik loop verder, voorzichtig stappend tussen het puin en de restanten van mensen die ik misschien gekend heb, maar waarvan velen door de brandende hitte en het vakkundige werk van deze monsters getransformeerd zijn tot vormeloze hopen vlees. Stinkende hopen rottend vlees, waarvan de stank zich pijnlijk prikkend een weg zoekt naar mijn neus.

Pas nu bereikt de indringende stank van verterend menselijk vlees mijn neus en ik moet kotsen. Mijn maag bevat niets meer, maar toch keert en draait hij tot er iets naar buiten komt. Ik steun me met mijn gekwetste handen tegen een muur en de hiermee gepaard gaande pijn doet me weer een beetje tot mijn positieven komen. Het lijkt wel of deze pijn mijn maag met stroomstoten weer tot de orde roept want de geur heeft plots geen invloed meer. Ik ruik het, zonder het te ruiken.

Ik zie de maden rondkruipen in de overblijfselen van mijn medemensen, maar het lijkt me niets meer te doen. Mijn gevoelens van afkeer zijn met schoktherapie tot zwijgen gebracht en ik richt me weer helemaal op.

Nieuwsgierig, bijna onbezonnen, kijk ik om me heen en overschouw het slagveld dat nog erger is dan ik gedacht had. Geen enkel gebouw is ongeschonden gebleven. De impact van waar deze wezens de gebarricadeerde en vergrendelde huizen binnen gestormd zijn op zoek naar voedsel is zo indrukwekkend dat ik zelfs een vaag gevoel van respect voel opkomen. Dit is een kracht, een macht zoals wij die niet kennen, een snelheid beheersend die wij nooit gezien hebben, met een vastberadenheid en doeltreffendheid waar je alleen maar respect voor kan opbrengen.

‘Respect?’ hoor ik in mijn hoofd. ‘Hoor ik dat goed? Respect? Meen je dat?’

‘Je weet wat ik bedoel.’

‘Wel, eigenlijk neen, dat weet ik niet. Zij hebben jouw vriendin gedood, jouw moeder, vader, broers, zussen, vrienden, collega’s, idolen, iedereen die je kende of niet kende, is door hen op een gruwelijke manier gedood en jij spreekt over respect? Voel je je niet goed?’

‘Ten eerste, neen, ik voel me niet goed, en je weet heel goed waarom. En ten tweede, je kan toch respect hebben voor de kracht van een vijand zonder dat je hem goed vindt?’

‘Hmmm, ik weet het zo nog niet. Ontzag ja, maar respect?’

‘Wat is het verschil?’

‘Ken je dat niet?’

‘Is dat er?’

‘Ik denk het wel.’

‘Doet dat er toe?’

‘Neen, dat is waar, want je bestaat toch niet.’

‘Ik besta wel.’

‘Misschien, maar dan toch niet meer voor lang.’

‘Waarom niet? Ze hebben mij toch met rust gelaten?’

‘Zij wel ja, maar denk je dat de bacteriën in je handen dat ook gaan doen?’

‘Ik ga op zoek naar een apotheek, daar vind ik wel iets.’

‘Ja dokter.’

‘Iets tegen ontstekingen, of antibiotica zal ik zeker wel vinden zonder hulp van een echte dokter.’

‘Ja dokter.’

‘Och zwijg.’

‘Ok.’

‘Neen, och, laat maar.’

‘Ok.’

Ik stap omzichtig over een paar afgerukte armen en benen en denk hen ontweken te hebben, als mijn voet op iets zacht landt en ik half uitglijd. Ik val op mijn achterwerk en spreid mijn handen om mijn val te breken. Mijn rechterhand komt in iets zacht terecht, iets glibberig, plakkerig en ik weet wat het is voor ik omkijk en zie hoe mijn hand verzonken is in een opengereten en half leeg gevreten buik, waarvan het vel opgelost lijkt te zijn en de ingewanden tot één grote vormeloze en donkerbruine brei verworden zijn. Grote witte maden kruipen uit de buikholte over mijn hand omhoog en nu ben ik er echt van overtuigd dat ik deze keer wel moet kotsen, maar toch gebeurt dat niet. De shocktherapie heeft bijzonder goed gewerkt en met bijna apathische blik kijk ik naar mijn verzonken hand, trek deze met een achteloos en onverschillig gebaar terug uit de buik en schud de maden met één wilde beweging af. Ik veeg het bloed en de pus af aan de vuile kleren van het ongelukkige slachtoffer en probeer weer recht te kruipen. De zon heeft er gelukkig voor gezorgd dat het gezicht van de ongelukkige al zover verteerd is dat het onherkenbaar geworden is, maar ergens in mijn achterhoofd lijkt er een deurtje open te gaan dat me zegt dat ik die kleren herken.

‘Neen, niet doen,’ roep ik tegen mezelf.

‘Wat niet doen?’

‘Niets.’

‘Wat?’

‘Neen, niets, hou op.’

‘Wil je je niet herinneren wie dit is? Heb je geen respect voor de doden?’

‘Wat heeft dat er nu mee te maken?’

‘Je kan toch afscheid nemen van Sa….’

‘Zwijg!’ roep ik. ‘Doe het niet.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat ik het niet wil!’ krijs ik nu. De kalmte die ik nog bijzonder lang heb kunnen bewaren, lijkt nu eindelijk te verdwijnen. Ja, ik weet wie daar ligt, en neen, ik wil het niet weten.

‘Maar je weet het, wat maakt het dan uit.’

‘Alles, snap je dat dan niet?’

‘Neen.’

‘Alles, ik wil het niet ok? Ik wil het niet, ik wil niet weten dat…’

Mijn stem breekt, mijn woorden lossen op in een snik. Hulpeloos en verward kijk ik om me heen, op zoek naar een uitweg uit deze situatie, een uitweg waarvan ik weet dat ik hem niet zal vinden. Ik weet wie daar ligt, maar ik wil het niet weten, ik wil het niet weten...

‘Wat wil je niet weten?’ klinkt het fluweelzacht in mijn hoofd, vriendelijk, begrijpend, maar met een ondertoon die maar één doel heeft, mijn ziel aan flarden rijten.

Ik aarzel en probeer uit alle macht mijn blik weg te houden van het lichaam dat daar ligt. Het lukt niet, mijn ogen worden onweerstaanbaar naar het lijf getrokken dat ik zo goed ken, waar ik zo vaak zo wild en opgewonden van geworden ben. Ik snak naar adem als ik met veel moeite een paar woorden kan uitbrengen.

‘Dat daar mijn lief ligt, nu goed?’

De kalmte is nu helemaal weg, ik schok en schud over mijn hele lichaam. Ik val op mijn knieën, maar voel de pijn niet. Niet de pijn in mijn handen, niet de stekende scheuten in mijn knieën, enkel de snijdende pijn in mijn hart voel ik. Tranen die al dagen klaar zaten, maar tot nu toe niet naar buiten geraakten, stromen nu als een zondvloed langs mijn wangen naar beneden. Het besef dat het toch allemaal niet niks is wat hier gebeurd is, raakt mij als een mokerslag in mijn gezicht, in mijn maag, en de braakneigingen die ik eerder heb kunnen onderdrukken, razen nu als een tornado door mijn lijf.

Ik schok, ik beef, mijn maag probeert iets naar buiten te duwen, maar vindt niets. Mijn ogen storten de laatste restjes vocht die mijn lijf nog bevat in dikke beken naar buiten. Mijn pupillen zijn ongetwijfeld aan het flippen, van enorm groot van het wenen, tot piepklein telkens als ik in de zon kijk. Die helderrode, gloeiende bol die zich van geen kwaad bewust is en een zalige zomerse temperatuur over deze verwoeste stad uitstrooit.

Minutenlang blijf ik zo zitten, zonder iets te horen, zonder opruiende argumenten in mijn hoofd. Dan kalmeer ik, en besef ik dat ik hier nu echt weg moet. Uit alle macht probeer ik te verhinderen dat mijn blik weer naar mijn vriendin getrokken wordt, ik slaag er bijna in, maar kan niet voorkomen dat ik nog een glimp opvang van het verminkte lijf dat nu in een vreemde bocht in de hoek van het plein ligt. Ze mist iets, maar ik wil niet weten wat. Ik wil niet verder naar haar kijken, dit is niet zoals ik mij mijn sexy vriendin wil herinneren. Dit is niet wat ik de rest van mijn – hopelijk niet al te korte – leven voor mijn ogen voorbij wil zien spoken.

Of zou het toch niet beter zijn als ook ik gewoon dood was?

‘Wil je dat?’ is de stem nu terug.

‘Ik… Neen, Ik… Ik weet het niet.’

‘Ja dus.’

‘Dat zeg ik niet.’

‘Maar je zegt ook niet echt neen.’

‘Weet jij het?’

‘Ja.’

‘Wat dan?’

‘Neen.’

‘Wat neen.’

‘Ik wil niet dood zijn.’

‘Ik ook niet.’

‘Zeker?’

Ik antwoord niet meer, ik schud mijn hoofd zo hard als ik kan, tot mijn hersenen pijn doen. De gepijnigde massa in mijn hoofd schreeuwt het uit en het voelt zelfs goed. Het verdringt die kloppende pijn in mijn handen en de nu toch ook onmiskenbaar aanwezige pijn in mijn knieën.

‘Ik moet verder.’

‘Naar waar?’

‘Weg van hier.’

‘Weg van haar?’

‘Weg van hier,’ snauw ik, terwijl ik nu helemaal opgericht sta en zonder nog één keer om te kijken, met grote stappen over een paar – gelukkig onbekende – lijken stap en weg ga van deze plek, krampachtig pogend een beeld van Sarah op te roepen zoals ze echt was, toen ze nog leefde, toen ze nog compleet was. Een beeld waar ik opgewonden van werd, niet misselijk, niet ziek.

‘Lukt het?’ hoor ik weer.

‘Wat?’

‘Je haar herinneren zoals ze was.’

‘Ja.’

‘Zeker?’

‘JA!’

‘Goed voor jou,’ klinkt het cynisch.

Ik stap verder, in de richting van de oude poort die deze wijk afscheidde van de rest van de stad. Een oude historische poort die op een vreemde manier zo goed als ongeschonden gebleven is, een eenzaam intact gebouw in deze van de kaart geveegde stad. Plots moet ik denken aan een scene uit ‘The 100’, één van die series die ik al binge watchend bekeken heb en waar in het midden van Polis nog een oude toren overeind stond, als enig herkenningspunt uit een tijd dat er nog technologie was en mensen elkaar nog niet uitgemoord hadden.

Er zijn gelijkenissen, al is het hier niet de mens zelf die voor het einde van de tijden gezorgd heeft, maar een reeks bezoekers uit… Van waar komen ze eigenlijk? Niemand die het weet of beter, niemand die lang genoeg is blijven ademen om het te kunnen vinden. Maar dat dit geen menselijk iets is, lijkt wel duidelijk.

‘Ben je daar zeker van?’ klinkt het weer.

‘Wat zou het anders zijn? Een geheim wapen van Noord-Korea?’

‘Waarom niet?’

‘Waarom wel? Denk je echt dat zij dit soort monsters kunnen kweken?’

‘Waarom niet?’

‘Omdat ze dat niet kunnen?’

‘Waar een wil is, is een weg.’

‘Niet zeveren, dit kan niet.’

‘Zeg jij.’

‘Ja, zeg ik.’

‘Ik niet.’

‘Laat maar, ik moet verder.’

‘Naar waar?’

‘Naar de anderen?’

‘Welke anderen?’

Ik antwoord niet meer, en loop verder. De toren laat ik links van mij, het beeld van nog één intact gebouw tussen al die woestenij voelt goed en slecht tegelijk. Maar ik probeer me er niet door uit mijn lood te laten slaan en loop verder. Ik voel dat ik uit de stad moet zien te geraken. Hier is niets meer, het platteland kan mij helpen, mij redden. Daar moeten nog overlevenden zijn.

‘Waarom denk je dat? Je hoopt dat, maar hoop en weten zijn twee verschillende zaken. Dat zou iemand van jouw niveau toch moeten begrijpen, niet?’

Ik bereik de achterkant van de gebouwen waar ik door ingesloten zat. Er is geen verschil merkbaar tussen de gebouwen aan deze kant of aan de andere kant, er is geen onderscheid te zien tussen de hoeveelheid lichaamsdelen die her en der verspreid liggen. Ik probeer niet naar de gezichten van deze mensen te kijken, doodsbang als ik geworden ben om nog iemand te herkennen.

Ik loop nog steeds verder en blijf – denk ik – meer dan vier uur verder lopen. Ik lijk alle zin voor tijd verloren te zijn, maar probeer kalm te blijven. De rij met lijken mindert niet, zelfs als ik de stad achter mij gelaten heb en de hoge gebouwen langzaamaan plaats maken voor groene velden en verspreidde bossen, houdt de reeks van her en der verspreidde verminkte lichamen niet op. Ik word er immuun voor, ik durf zelfs naar de gezichten kijken, meer nog, ik kijk effectief naar de gezichten - als ze er nog zijn tenminste - en op een bijna ziekmakende nieuwsgierige manier probeer ik te achterhalen of ze iets hebben zien komen, of ze beseft hebben dat hun einde nabij was. Het zou ziekmakend moeten zijn, deze nieuwsgierigheid, maar het erge is dat ik dat niet voel. Ergens in mijn achterhoofd lijk ik te beseffen dat dit niet ok is, maar ik ben wellicht al zo ver heen, dat het niet meer uitmaakt. Ook de stem in mijn hoofd lijkt zich geen moeite meer te getroosten om mij te wijzen op hoe fout ik wel bezig ben. De stem blijft stil en ik ook. Ik stap alleen maar verder, mijn blik wisselend tussen de lijken die ik tegenkom en de horizon die mij lokt. Naar... Naar waar? Ik weet het niet en ik besef niet goed hoe lang ik al aan het lopen ben, maar het moet lang zijn. Mijn horloge vertelt mij dat het vier uren zijn, maar ik kan het niet geloven, ik wil het niet geloven. Ik schud mijn hoofd en werp mijn horloge weg. Veel zal ik er toch niet meer mee kunnen doen, want de batterij geeft aan dat ze bijna leeg is. En de kans dat ik deze ergens kan opladen, is bijzonder klein geworden. In de stad heb ik hier en daar nog een lichtje zien branden, maar hier lijkt alle elektriciteit verdwenen te zijn. Door toedoen van deze wezens of door het wegvallen van mensen die de centrales moesten bedienen? Ik weet het niet, en het kan me eigenlijk ook niet schelen. Wat voor nut heeft elektriciteit als je alleen bent? Wat ga je er mee doen? Een feestje bouwen? Koken? Ah ja, elektrische auto's mee aandrijven, want dat is beter voor het milieu.

Ik giechel en kijk om me heen. Het milieu is wellicht de enige partij die lacht in dit verhaal. Het milieu zal hier als winnaar uitkomen. Hier en daar zie je al hoe onkruid en andere gewassen de straten beginnen te bestormen, nog heel voorzichtig en onzeker, maar in de kieren waar tot voor een paar dagen onkruid geen kans kreeg om naar boven te kruipen door de nooit aflatende stroom van rubberen banden die hen keer op keer letterlijk in de kiem smoorden, zie je nu al duidelijke sporen van opstijgende groene slierten. Het zal wellicht niet lang duren vooraleer alles groen wordt en de natuur de aarde terug claimt.

'Niet slecht hé,' klinkt het voor eerst in lange tijd weer in mijn hoofd.

'Wat?'

'Dat de aarde terug naar de natuur gaat.'

'Misschien wel, maar ik had toch liever gezien dat er nog een paar mensen over gebleven waren.'

'Je kan niet alles hebben in dit leven.'

'Dus je bevestigt dat ik besta.'

'Hoezo?' hoor ik de stem nu vreemd aarzelend in mijn hoofd, een reactie die mij op mijn benen doet trillen, deze stem hoort niet te aarzelen.

'Als ik leef, besta ik.'

'Och, laat maar.'

Ik wankel. Ik ben echt gek aan het worden, zoveel is duidelijk. Heeft het wel zin wat ik aan het doen ben? Is er nog iemand anders in leven op deze aardkloot of ben ik echt helemaal alleen? Als dat het geval is, waar ben ik dan in godsnaam nog mee bezig? In Gods naam? Wel, die brave man heeft deze planeet precies helemaal links laten liggen... En als ik effectief alleen ben, kan ik de mensheid toch niet doen overleven, dan is het binnen een aantal jaren sowieso over and out. Als het al zo lang duurt, want ik heb nog altijd geen pilletjes voor mijn handen gevonden en ik voel dat er iets in mijn lijf aan het broeien is dat moet stoppen. De apothekers in de stad lijken allemaal vernield. Ik ben er op mijn vlucht minstens tien gepasseerd, maar allen zijn bedolven onder een bijzonder dikke hoop puin. Alsof iets of iemand mij wil verhinderen om gered te worden.

'Het is een vergissing dat jij nog leeft,' klinkt het weer.

'Waarom?'

'Waarom niet? Je bent de enige, heeft dat zin? Houdt dat steek? Waarom? Waarom alleen jij? Ben je speciaal?'

Ik haal mijn schouders op. 'Geen idee.'

'Ik denk het niet neen, helemaal niet.'

'Moet dat dan? Is het geen dom toeval?'

'Hoe moet ik dat weten?'

'Ik weet het ook niet,' galmt in mijn hoofd. 'Maar het is wel zo. Hoe lang ben je nu al onderweg? Al iemand anders gezien?'

'Neen, maar het is ook nog niet lang, één dag. Dat is toch niet lang.'

'Ben je zeker dat het maar één dag is? Je bent out geweest remember? En dan nog, één dag, is dat lang of niet, dat is relatief.'

'Alles is relatief.'

'Gaan we zo beginnen?'

Opnieuw een vreemde aarzeling in de stem in mijn hoofd, die me doet rillen. Ik begrijp het niet, maar concentreer me op de wereld om me heen.

'De lijken zijn aan het minderen,' hoor ik na een uur de stem in mijn hoofd fluisteren.

'Waarom denk je dat?'

'Ik zie het.'

'Tel je ze?'

'Ja.'

'Waarom?'

'Om te weten of het mindert.'

Ik zwijg, kijk om me heen en tel de lijken. Heeft de stem gelijk? Ik weet het niet, ik zie er in elk geval nog veel en loop door. Voorzichtig ga ik verder, mijn evenwicht zoekend terwijl ik over de her en der verspreidde volledige - al halfverteerde - lichamen en losse lichaamsdelen stap, stilgevallen auto's ontwijk, brokstukken van huizen beklim als dat de enige manier is om verder te geraken. Voor zover ik kan zien, is de verwoesting die ook hier aangericht is door deze monsters om de laatste mensen uit hun huizen te sleuren niet minder dan in de stad.

'Daar komt iemand!' Hoor ik de stem plots roepen met angstige trilling in mijn hoofd.

Mijn langzaam opgebouwde en hard bevochten delicate toestand van rust wordt ruw aan flarden geslagen door deze onverwachte mededeling.

'Ik zie niemand,' fluister ik. 'Waar?'

'Weet ik niet, maar ik voel het.'

'Hoe?'

'Weet ik niet. Ssst. Achter die toren is er iemand. Of iets...'

Een intense rilling loopt door mijn ruggengraat, ik voel hoe het angstzweet uitbreekt. Snel kijk ik om me heen om een schuilplaats te zoeken, maar ik sta net in het midden van een grote weide, omringd door een hele stapel dode koeien die zo opgeblazen in de zon liggen te bakken dat ze elk ogenblik kunnen ontploffen en hun ontbindingsgassen wild de natuur in zullen zwieren. Ik kokhals bij de gedachte dat dit zal gebeuren op het ogenblik dat ik een koe aanraak, maar ik weet dat de enige schuilplaats tussen deze dode koeien is.

'Je bent gek,' hoor ik. 'Als ze springen, stink je voor de rest van je leven.'

'Als dat ding achter dat gebouw zo'n monster is, zal dat niet lang meer zijn,' antwoord ik zacht. 'En misschien is dat net de bescherming die ik nodig heb.'

Er komt geen antwoord terwijl ik snel wegduik achter een dik opgeblazen koe die al een vreselijke lijkgeur begint af te geven. Ik leg me zo dicht mogelijk tegen het logge lijk zonder het aan te raken en wacht bang af. Mijn ademhaling gaat snel, ik hoor hoe ik begin te piepen en sla in paniek. Dit mag niet, ik moet stil blijven. Ik bevries, mijn adem wordt afgesneden als ik een geluid achter mij hoor. Grote voetstappen, geen menselijke voetstappen, het monster! Waar is het? Ik wil boven de koe uitkijken, maar durf niet te bewegen, als ik mijn hoofd ophef, zal het mij zien.

Plots hoor ik een plof, één van de koeien is ontploft. Ik haal diep adem, ik wil zuurstof in mijn longen hebben als dit met de koe naast mij gebeurt, wetend dat ik niet meer zal kunnen ademen. Nog een plof, ergens links van mij, nog één rechts. Dit is geen toeval, dit is iets of iemand die deze koeien laat ontploffen, doelbewust, op zoek naar... Naar mij.

'Het is gedaan,' hoor ik in mijn hoofd. 'Het heeft je gevonden.'

Ik antwoord niet, ik weet dat de stem gelijk heeft, maar ik weiger toe te geven, ik wacht alleen maar af. Het aantal ploffen neemt toe, gaat sneller.

'Er zijn er meerdere,' klinkt het, maar ik negeer de stem.

De ploffen komen nog dichterbij, ik ril nu over mijn hele lijf als ik een hele reeks kort op elkaar volgende ontploffingen hoor op minder dan drie meter van mij. Ik herinner me dat daar vijf koeien bij elkaar gevallen waren. Het is er, zij is er? De stank is intussen niet meer te harden en ik voel hoe mijn ademhaling steeds moeilijker gaat.

Ik sluit mijn ogen en rol me op in foetushouding, klaar om mijn einde te aanvaarden, wetend dat elke poging om te gaan lopen zinloos is. Ik heb de snelheid van deze monsters veel te vaak gezien om te denken dat ik enige kans maak.

Ik hoor een zacht gehijg achter mij, het komt dichter, het is er, mijn zintuigen staan op scherp, ik voel hoe een nagel van het monster het opgeblazen lijk van de koe aanraakt, hoe een gat gemaakt wordt en hoe de gistende ingewanden met grote kracht naar buiten gestuwd worden. Ik voel de vreselijk stinkende brij over mijn lijf uitgespreid worden, maar ik ruik het niet echt, ik wacht alleen maar. Ik wacht tot de klauwen ook mijn lijf zullen uit elkaar rukken, hoe mijn hoofd van mijn romp gescheiden zal worden, en mijn leven tot een veel te vroeg einde zal komen.

'Zoals bij iedereen die hier aan zijn einde gekomen is,' hoor ik de stem in mijn hoofd nog zeggen. Ik schrik als ik besef dat de stem er nog is, dat ik er nog ben. Ik schrik nog veel harder als ik een menselijke stem hoor roepen.

'Hey, leef jij nog?'

Het duurt even voor ik besef dat ik niet dood ben, dat ik niet alleen ben, het duurt even voor ik iets kan zien, ik moet eerst de smurrie uit mijn ogen wrijven.

'Hey stinker, gaat het?' Klinkt een jonge, vrouwelijke stem. 'Kon je niet laten weten dat je daar lag? Dan had ik deze koe wel even overgeslagen hoor.'

Met veel moeite krijg ik genoeg smurrie uit mijn ogen om een menselijke vorm te onderscheiden. Een jonge vrouw, halfweg twintig - denk ik - staat op een paar meter van mij verwijderd, een lange stok in haar handen, met aan het einde een... een klauw? Ja, een klauw van een monster.

‘Hoe…?’ breng ik met veel moeite uit, waarna mijn stem breekt.

'Dat was niet makkelijk,' lacht het meisje. 'Maar moeilijk gaat ook, zei mijn vader altijd.' De vrolijke blik op haar gezicht wordt even weggeveegd als de duidelijk pijnlijke herinnering aan iemand die er niet meer is, voorbij zweeft. Dan schudt ze haar hoofd en komt de innemende glimlach weer terug.

'Ze kunnen niet tegen lijkgeur. Gek hé, wie had dat ooit gedacht? Doden kunnen ze als de besten, maar tegen de geur van dode koeien kunnen ze niet. Waarom denk je dat ik deze allemaal aan het opblazen ben? Hier komen ze nu niet meer hoor.'

Ik kijk verbaasd om me heen als ik het slagveld zie dat zij hier klaargemaakt heeft. De wei die eerst vol lag met opgeblazen koeien is nu één grote smurrie van stinkende ingewanden. Ik schud niet begrijpend mijn hoofd.

'Hoe…?' Breng ik met veel moeite uit.

'Hoe ik dat weet? Doordat ik toevallig onder een dode koe terecht gekomen ben toen zij hier toegekomen zijn en, tada…, ik leef nog. Één plus één is twee, toch? Even logisch nadenken en je bent er.'

Haar ontwapenende vrolijkheid en het aanstekelijke optimisme doen een verdienstelijke poging om ook mijn twijfels weg te nemen, maar dat lukt voorlopig nog niet.

'Ben je zeker dat het dat is?' Vraag ik aarzelend, terwijl ik langzaam dichterbij stap.

'Eh, je stinkt echt uren in de wind man, maar dat is niet erg, nu ben je veilig,' zegt ze terwijl haar indringende groene ogen mij recht aankijken en bijna hypnotiseren.

Alarmbellen in mijn hoofd gaan af, ze zeggen mij dat dit niet klopt.

'Natuurlijk klopt dit niet,' bevestigt de stem. 'Dit is onzin, maar ga jij haar dat vertellen?'

Ik schud mijn hoofd, ik voel dat er iets anders is, maar ik weet niet was.

'Wat is er?' Vraagt ze. 'Geloof je mij niet?'

Ik antwoord niet direct en kijk angstig om me heen.

'Ze komen hier niet meer hoor, je mag gerust zijn.'

'Laat het,' klinkt het in mijn hoofd. 'Het heeft geen zin haar dit te vertellen, als de monsters terugkomen, is zij ook dood, net zoals jij. Laat haar die schaarse onbezorgde momenten toch.'

Ik weet dat de stem gelijk heeft, maar ik wil wel verder leven en om dat te doen, moeten we iets anders vinden. Het kan best zijn dat geen levend wezen op dit ogenblik in mijn buurt wil komen, maar het is totaal niet logisch dat een aaseter niet tegen de geur van lijken kan. Dat zou op z'n minst een bijzonder grote constructiefout zijn, in de Verenigde Staten reden voor een zwaar proces, schiet plots door mijn hoofd. Een vage glimlach zweeft even over mijn gezicht.

'Waarom lach je? Lach je mij uit?' Vraagt het meisje, terwijl haar glimlach verdwijnt. Haar heldergroene ogen worden donkerder en haar lange blonde haren die net nog wapperden in de wind vallen plots neer.

'Neen, neen, natuurlijk niet, ik was aan iets anders aan het denken.'

'Aan wat?'

'Dat doet er niet toe.' Ik kijk om me heen. 'Waar woon je?'

'Ik woonde in een huis een stuk van hier. Dat er nu niet meer staat...' vult ze aan met een duidelijke snik in haar stem.

'Ben je alleen?'

'Ja.' Ze kijkt me recht aan. 'En jij?'

'Ik ook.'

'Heb je nog iemand gezien?'

'Neen,' schud ik mijn hoofd. 'Niemand.' Ik aarzel even. 'Maar ik ben zeker dat er nog overlevenden zijn, zoals jij en ik.'

'Ben je zeker?'

'Ja,' antwoord ik, terwijl ik mijn stem zoveel mogelijk onder controle probeer te houden, maar ik denk dat ik een rilling van twijfel niet heb kunnen onderdrukken.

'Ze heeft het niet gehoord,' fluistert de stem in mijn hoofd. 'Ze wil niets horen, ze wil alleen dat iemand haar vertelt dat het goed komt.'

'Het komt wel goed,' fluister ik, verbaasd over mijn eigen volgzaamheid.

'Dat zeg je zomaar,' zegt het meisje, terwijl ze mij recht in de ogen kijkt. Ik voel hoe ze mij aan het testen is, ze is niet zo jong en naïef als ik denk dat ze is.

Gedurende een paar seconden kijk ik haar recht in de ogen, dan moet ik mijn blik wegdraaien. Ik kan het niet opbrengen om tegen haar te liegen, ik ken haar niet, maar ik wil tegen niemand meer liegen in dit leven, dat heb ik al genoeg gedaan.

'Daar mag je zeker van zijn,' raast de stem in mijn hoofd.

'Het is het moment niet,' grom ik.

'Waarvoor?' vraagt het meisje.

'Wat? Oh, niets, ik was in mezelf aan het praten.'

'Doe je dat veel?' vraagt ze, terwijl ze mij onderzoekend aankijkt. Ze lijkt plots een heel stuk ouder, ik had haar rond de twintig geschat, maar nu is ze eerder een stuk in de dertig.

'Of ze is op een paar minuten tijd tien jaar ouder geworden,' hoor ik in mijn hoofd.

'Hou op,' fluister ik.

'Ben je weer bezig?' vraagt ze.

Ik negeer even de opmerking en kijk haar recht aan. 'Hoe heet je eigenlijk?'

'Jij eerst,' zegt ze.

'Ok,' knik ik. 'Ik heet Dave.'

'Dag Dave, ik ben Ellen.'

'Dag Ellen, aangenaam.'

'Meen je dat?'

'Wat bedoel je?'

'Meen je dat je blij bent mij te ontmoeten? Had je niet liever gehad dat je mij nooit ontmoet had?'

'Dat is een moeilijke vraag om te beantwoorden.'

'Waarom?'

'Je lijkt me een toffe meid, dus ben ik blij dat ik je leer kennen, maar je hebt gelijk, ik zou hier liever niet geweest zijn.'

'Ik ook niet, en ik zou liever hebben dat je niet zo stonk.'

Plots herinner ik mij wat er nog maar net gebeurd is. Ik stink als de pest en ik heb het zelfs niet meer gemerkt, zover ben ik heen.

'Face it, je bestaat niet, anders zou je jezelf wel ruiken.'

Ik negeer de stem en kijk Ellen aan. 'Sorry, was het vergeten.'

'Geeft niet, zo blijf je veilig.'

Ik wil iets zeggen, maar hou me in. 'Neen, het heeft geen zin,' klinkt in mijn hoofd. Ik knik alleen maar.

'Ik zou me toch graag even willen wassen,' zeg ik. 'Weet je waar dat zou kunnen?'

'Ik denk dat je dat beter niet doet.'

Opnieuw hou ik me in. Ik schrik als ik plots een vreemd geluid hoor.

'Wat is dat?' fluister ik.

'Dat zijn ze,' fluistert Ellen. 'Ze zijn terug.'

Een intense opwinding weerklinkt in haar stem, het is duidelijk dat ze niet overtuigd is van haar eigen oplossing. Zo naïef is ze dan toch niet.

'We moeten hier weg,' fluister ik. 'Zo snel mogelijk. Kom, laten we naar dat huis daar lopen, dan zijn we misschien veilig.'

'Heeft dat zin? Ze zijn veel sneller dan wij en ze halen ons zo uit het huis. Als jouw geur hen niet tegenhoudt, dan zijn we eraan.'

'Denk je dan niet meer dat het zal helpen?' hoor ik mezelf nog vragen, ik kan mezelf wel slaan hiervoor, maar de woorden zijn al uit mijn mond gerold.

'Denk je dat ik dom ben?' gromt Ellen terwijl ze mij scherp aankijkt. 'Het was maar een spel, en jij bent erin gelopen. Dacht je nu echt dat ik geloofde dat zij zouden tegen gehouden worden door een beetje stank?'

Ik antwoord niet, en kijk angstig om me heen. Er is nog steeds niets te zien, maar het geluid dat we allebei gehoord hebben, klonk bijzonder bekend, angstig bekend. Het geluid van brekende gebouwen, krakende lichamen en stervende mensen is de laatste tijd zo vaak in onze oren gekatapulteerd dat er weinig tot geen twijfel mogelijk is.

'Maar waarom hebben wij het dan overleefd?' Fluister ik zonder Ellen aan te kijken.

'Weet je dat niet?'

'Neen,' schud ik mijn hoofd. 'Jij wel?'

Ellen tikt me op mijn arm en dwingt me om haar aan te kijken.

'Omdat wij uitverkoren zijn.'

Ik kijk haar niet begrijpend aan.

'Uitverkoren?' Fluister ik met hese stem. 'Door wie? Waarom? Om wat te doen?'

'Door hen.'

'Maar waarom?'

‘Om te overleven, om verder te blijven bestaan.'

Ik kijk haar met grote ogen aan.

'Wij?'

'Waarom niet? Man en vrouw, dat is toch logisch?'

'Hoe oud ben jij?'

'Doet dat ertoe?'

'Je bent nog jong.'

'Dat doet er toch niet toe? Ik ben er klaar voor.'

'Je bent in de twintig, denk ik, max dertig en ik ben er achtenveertig.'

'Dat kan toch nog?'

'Ja, dat kan zeker nog. Biologisch kan dat nog, maar dat lijkt me niet aangewezen. Jij bent nog jong.'

'Ik ben er klaar voor.'

'Je weet niet wat je zegt.'

'Ik ben er klaar voor,' herhaalt Ellen nu op duidelijk verongelijkte toon. 'Ik ben volwassener dan je denkt.'

'Daar twijfel ik niet aan,' fluister ik op sussende toon. 'Dat zie ik ook wel, maar het is niet omdat je er biologisch klaar voor bent en omdat je het mentaal aan kan, dat het moet gebeuren...'

Ik kijk angstig om me heen voor ik verder ga. 'En trouwens, mocht je gelijk hebben...'

'Ik heb gelijk,' gromt Ellen.

'Mocht je gelijk hebben,' ga ik verder zonder haar aan te kijken. 'Dan nog zullen wij twee niet genoeg zijn om de mensheid te laten overleven.'

'Adam en Eva waren toch ook maar met twee?'

'Adam en Eva waren niet echt.'

'Wie zegt dat? De kerk zegt toch van wel?'

Ik zucht diep en kijk even naar de hemel. Een gebaar dat duidelijk de verkeerde reactie teweegbrengt.

'Jij denkt dat ik gek ben hé? Jij denkt dat ik een gelovige gek ben die in sprookjes gelooft, maar dat is niet zo, ik weet dat wij dit kunnen doen. Ik weet dat wij kinderen kunnen maken, veel kinderen, en die kunnen op hun beurt kinderen maken, enzovoort.'

'En als we dat doen, dan zullen ze allemaal ziek worden, gebreken vertonen, enzovoort.' Ik aarzel even en twijfel of ik moet verder gaan, maar de bezeten blik in Ellens ogen doet mij besluiten toch te proberen haar te overtuigen.

'Inteelt heet dat en dat zorgt alleen maar voor problemen. Er is een reden waarom broer en zus geen kinderen mogen hebben, dat is niets religieus, dat is puur biologisch, dat verzwakt de stam.'

'Niet als we er genoeg maken, de zwakken zullen afvallen ja, maar dat is nu eenmaal zo,' klinkt het strijdvaardig en met een stem die niet meer die van een lieve, jonge vrouw is. Niet meer de stem van de Ellen die ik eerder ontmoette.

Ik schrik van de harde ondertoon in haar stem, ze heeft hier duidelijk al goed over nagedacht en ik besef dat ik haar niet op andere ideeën zal kunnen brengen.

'Laten we er even van uitgaan dat je gelijk hebt,' probeer ik voorzichtig.

'Ik heb gelijk,' briest ze.

'Ok, ok, ik geloof je, je hebt gelijk. Maar dan blijft er wel nog één vraag, een belangrijke vraag.'

'Welke?' Klinkt het koel.

'Denk je echt dat zij ons zullen laten leven om de mensheid weer op te bouwen? Waarom zouden ze dat doen? Waarom zouden ze eerst iedereen uitmoorden, opeten, verminken, op de meest gruwelijke manier, om dan tegen twee willekeurige mensen te zeggen dat ze opnieuw moeten beginnen.'

'Het is niet willekeurig, wij zijn uitverkoren.'

'Ok, waarom zouden ze dan tegen twee uitverkorenen zeggen dat ze opnieuw moeten beginnen. Klinkt dat logisch?'

'Is de mensheid logisch? Als je kijkt naar wat de mensen met de aarde aangevangen hebben, dan lijkt het mij heel logisch dat zij grote kuis gehouden hebben en een aantal mensen uitgezocht hebben die opnieuw moeten beginnen. En wie zegt dat er niet in elke stad zo een aantal zijn? Dat er overal een paar mensen verkozen zijn om hun leven opnieuw te beginnen. Jij ziet er mij een eerlijk man uit, die weet wat goed en slecht is. Is het dan niet logisch dat wij twee er opnieuw aan moeten beginnen.'

Ik haal diep adem en voel de grond even onder mijn voeten wegzinken. Het klinkt zo mooi, Ellens verhaal, en ik zou het graag geloven, maar ik weet, ik voel, dat het niet waar is, dat het niet waar kan zijn, het is te fantastisch, te naïef. En er is iets dat niet klopt, er is een kant die zij niet vertelt, dat voel ik, maar ik kan er mijn vinger niet op leggen wat het is. Maar kan ik dat tegen haar zeggen? Ze zal het niet accepteren, niet willen geloven, niet begrijpen.

'Je kent mij niet,' fluister ik. 'Je weet niet wat ik in mijn leven al gedaan heb. En dat was zeker allemaal niet mooi.'

'Dat doet er niet toe, iedereen verdient een tweede kans.'

'Ik heb mijn tweede kans al vier keer gehad, ik denk dat ze op is.'

'Ben je daar zeker van? Je bent hier toch nog? Als ik zo rond mij kijk, zijn er niet veel anderen die zo'n kans gekregen hebben...'

Daar heb ik niet van terug.

'Ik weet het niet,' haal ik mijn schouders op. 'Ik...'

Een krakend geluid vlakbij doet de woorden uitsterven in mijn mond. Ik kijk voorzichtig om mij heen, maar zie nog altijd niets. Geen monster, niets. Enkel een hele reeks dode, ontplofte koeien en Ellen die mij glimlachend aankijkt.

'Waarom lach je? Ben je niet bang?'

'Waarom zou ik bang moeten zijn?'

'Voor de monsters. Als ze ons vinden, zijn we dood.'

'Dat denk ik niet, mijn beste Dave, dat denk ik niet.'

Ik kijk haar niet begrijpend aan.

'Wij gaan de wereld gewoon opnieuw opbouwen, vanaf het begin. Jij wordt de vader van de nieuwe aarde.' Ellens blik wordt plots een stuk serieuzer, de glimlach om haar mond is verdwenen. 'Of je wil of niet.'

'Nu ben je goed genaaid,' klink de stem in mijn hoofd voor het eerst in lang weer, en ik weet dat ze gelijk heeft als ik Ellen angstig aankijk.

Haar ogen krijgen een glans die ik niet kan thuisbrengen. Haar jukbeenderen lijken te veranderen, haar lichaam, daarnet nog zo frêle en kwetsbaar zoals dat van een meisje van zestien, wordt steviger, groter, anders. Een vreselijk besef komt over mij, als ik zie hoe de transformatie plaatsvindt. Ellen groeit, ze verandert, ze...

'We hebben ons al goed aangepast hé,' klinkt nu op dezelfde zachte, lieve, meisjesachtige toon uit de mond van een monster zoals Dave al zo vaak gezien heeft. Het monster dat voor hem staat, waar daarnet Ellen nog stond, op minder dan een meter afstand. Het monster kijkt naar hem, met die vrouwenogen, met die blik die hij altijd al bijzonder vrouwelijk gevonden heeft.

'En jij gaat ons helpen deze aarde opnieuw op te bouwen. Dat is alles wat we van je vragen. Onze planeet is gestorven, dood, bij gebrek aan mannen, maar hier zijn er nog en jij bent er één van. We vragen je maar één ding te doen en het zal prettig zijn, de hele dag door, niet alleen bij mij, maar bij al mijn soortgenoten.

Als je je plicht doet, mag je blijven leven. Als niet, dan houdt het ook voor jou op, maar ik kan me niet voorstellen dat je dat zal kiezen. Denk er even over na Dave, jij krijgt een unieke kans, jij kan meehelpen aan de wederopbouw van deze aarde. En het enige wat je moet doen, is wat alle mannen toch zo graag doen. Dat is toch niet erg? Ben je er klaar voor?'

Ik wankel terwijl ik zie hoe het monster zich opnieuw omvormt in Ellen, haar kleren verdwenen, haar opwindende, naakte lichaam klaar om mij te laten doen wat ik verondersteld word te doen.

Ik duizel terwijl zij mij in haar armen neemt, mij op de grond duwt en mij ruw en snel neemt. Ik schreeuw het uit als ik achter haar een rij van een paar honderd, neen, duizend Ellens zie staan, allemaal wachtend om hetzelfde te doen, klaar voor nieuw leven.

‘Nu ben je echt fucked maat,’ is het laatste wat ik hoor in mijn hoofd, voor ik het bewustzijn verlies als ik voor eens en altijd besef dat ik echt wel besta.


-Einde-


Lees meer van Luc Vos

www.lucvos.be


Wraaktekens

Gevallen Maan, Millésime Sardine 3

Dappere Kleine Maan, Millésime Sardine 2

Millésime Sardine

Schaduwzijde

Schaduw van mijn Schaduw

Spiegelbeeld

De klank van rood

Infinity Alley

Coma

Cosmic Love

Off the Grid…

Klasse

Tot het einde mijner dag

De eenzame weg naar de hel

Bij volle maan

Like my update, bitch!

De bezoekers

….


Download this book for your ebook reader.
(Pages 1-43 show above.)